Afschrift van het opstel uit 1958 van E.M. de Putter
Ten geleide
Een opstel geschreven in 1958 door Ellen M. de Putter.
Leerling van de christelijke kweekschool Rehoboth aan de Maliebaan 89 in Utrecht.
Wij moesten oefenen voor het eindexamen met het schrijven van een opstel in opdracht. Deze keer dus "kinderverdriet". Ik vond de lessen Nederlands fijn en had een goed kontakt met de leraar.
Als dat niet zo was geweest had ik dit opstel nooit geschreven.
De leraar beloont het opstel met een 9 en schrijft als enig commentaar er onder: "Wat duidelijker schrijven."
Ik heb in dat jaar mijn lager akte gehaald en een jaar later mijn hoofdakte.
Ellen M. Orlebeke-de Putter
21 juli 2008, Nieuwkoop
E.M. de Putter IV B
Kinderverdriet
Er zijn veel mensen, die vaak spreken over hun jeugd, hun kindertijd, met iets verlangends in hun stem; ik heb ze nooit begrepen. Als ze zo spreken is het, alsof ze een kapitaal zouden neerleggen, om nog eens het schoolkind te zijn, te spelen in de straat, zorgeloos en blij. Vergeten ze niet de nare kanten van het kind-zijn en maken ze de goede kanten niet te mooi? Natuurlijk is het heerlijk om nog eens zo zorgeloos te zijn als het kind, dat zich verheugen kan in de kleinste dingen, maar als kind kun je daarentegen zo bang zijn en verdrietig, zo onbegrepen. Ik heb, een klein kind nog, vaak onbewust, domme dingen gezegd en daardoor de anderen om mij heen woedend gemaakt of heel verdrietig. Natuurlijk voelde ik dan de verandering in stemming en vroeg: "wat is er dan?", maar het antwoord troostte me niet, het was altijd iets van: "je bent te klein", of "als je later groot bent" en bang verdween ik. Het alleen-zijn en onbegrepen zijn tussen de ouderen was mijn grootste verdriet, je hoorde er bij, maar je telde niet mee, je wist dat er iets gebeurd was, maar wat het was, dat kreeg je niet te horen, dat verborgen ze, zodra je binnenkwam. Ouder geworden, begreep ik dat het niet anders kan, dat je te klein kan zijn voor de problemen van een oudere.
Hoe goed herinner ik mij de dag waarop ik voor het eerst naar een "hollandse" school ging. Bang en verlegen stapte ik de grote klas binnen en zag alle hoofden omhoog gaan en alle ogen naar mij kijken, nog hoor ik de fluisterstem: "Kijk 'es, zo'n mager potlood." Door de onderwijzeres werd ik meegetrokken naar een bank bij het raam, naast een blond kind met grote blauwe ogen, de les ging door. De kinderen vergaten mij gelukkig en ik probeerde de vreemde letters op het bord te ontcijferen. Er werd gevraagd of ik een liedje wilde zingen en ik voelde, dat iemand me nu helpen wilde, dus ik knikte van ja en begon zacht en haperend een liedje over een tjitjak. Dat was het domste wat ik had kunnen doen, begreep ik later, want de juffrouw keek me niet begrijpend aan en de kinderen grinnikten. Nog eens probeerde ze me te helpen en informeerde vriendelijk, wat er in het versje stond. Maar ik zweeg koppig. Hoe kon ik nu vertellen, wat een tjitjak was? Een klein hagedisje met zuigpootjes, die vlug langs het plafond schoot en soms hard neerplofte op de grond. Een glad, watervlug beestje met heldere oogjes en een haastig kloppend keeltje. Ik kneep mijn handen samen onder de bank en wilde niet huilen, ik slikte en keek naar de vrolijk bloeiende geraniums op de vensterbank.
De juffrouw gaf het op en zong samen met de anderen een liedje over sneeuw, omdat het nu al gauw weer winter zou worden. Ik luisterde verbaasd en piekerde er over of ik ook "een koude winterneus" zou krijgen.
In het speelkwartier nam het blonde kind mij mee om te knikkeren. Ik volgde nauwlettend het spel en begreep er toch niet veel van. Toen eindelijk iemand vroeg: "Zal ik haar nog een ogje geven," zweeg ik en keek strak naar de kleurige glazen balletjes op de stenen en probeerde te bedenken wat een "ogje" zijn kon. Het was even heel stil om me heen, toen zei het blonde kind: "Wat een slome ben jij." Opeens verlangde ik heftig naar de brede koele emper, waar ik bikkelde en uit keek over de kleurige tuin. Daar had ik alles begrepen en daar had nooit iemand zoiets tegen me gezegd. Even dacht ik erover om weg te lopen van de speelplaats en hard naar huis te hollen, om stampvoetend te zeggen dat ik niet meer naar die "hollandse" school wilde! Maar ik durfde niet en voelde me laf en klein, toen ik aarzelend zei: "ik houd niet zoveel van knikkeren, weet je."
Dezelfde avond vroegen ze thuis, of ik het leuk had gevonden en ik moest precies vertellen, wat ze allemaal hadden gedaan. Lusteloos vertelde ik en vroeg toen: "Waarom gaan we niet terug? Ik vind Holland niet leuk." Niemand antwoordde en heel verdrietig heb ik me, die nacht, in slaap gehuild.
Natuurlijk ging het goed en wende ik aan de grote klas met de vele kinderen, natuurlijk leerde ik knikkeren en alle andere spelletjes en vergat langzamerhand de oude. Maar terugverlangen naar mijn kindertijd met al dat onbegrepen verdriet, dat niet.
De kindertijd is heerlijk zorgeloos en blij, maar het kinderverdriet is groter en eenzamer, dan je later denkt en daarom begrijp ik ze niet, de mensen, die zeggen: "Was ik nog maar zo klein."
Digitalisering door Ineke de Putter, Catholijn M. Jonker en Gerard Jonker. Copyright: E.M. Orlebeke - de Putter.